FOKSUK
SLIDESHOW
WEER
CHESS
VIDEO



donderdag 27 oktober 2011

Ouderen eten pensioenbordje van jongeren leeg

Voor de meeste Nederlanders geldt dat hun pensioen bestaat uit twee pijlers: de AOW ('staatspensioen') en opgebouwd bedrijfspensioen. Voor de gemiddelde gepensioneerde zijn beide pijlers ongeveer even groot.

Wat AOW betreft komen Nederlanders er overigens vergeleken met andere Europeanen vrij karig vanaf. Het staatspensioen in veel andere Europese landen ligt namelijk een stuk hoger wanneer deze wordt afgezet tegen het laatstverdiende loon.

De AOW wordt betaald vanuit een omslagstelsel. Dit houdt simpelweg in dat de werkenden de pensioenen van de gepensioneerden betalen. In 1950 bedroeg de verhouding tussen werkenden en gepensioneerden (65-plussers) 7:1. In 2050 zal deze verhouding uitkomen op 2:1. Dus elke twee werkenden dan moeten één AOW-uitkering bekostigen. De AOW-kosten per werkende nemen in deze periode dus met een factor 3,5 toe.

Zo bezien lijkt een versobering van de AOW niet bepaald ondenkbaar. Evenals een (verdere) verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd. Dit om de jongeren niet onder de druk van de groeiende groep AOW'ers te laten bezwijken. Jongeren van nu gaan er dan ook veiligheidshalve beter vanuit dat hun eigen toekomstige AOW er eerder slechter dan beter op wordt.


Bedrijfspensioen
Het bedrijfs(tak)pensioen dan. Anders dan de AOW kennen bedrijfs(tak)pensioenen een kapitaaldekkingsstelsel. Hierbij wordt - zo is althans de bedoeling - eerst gespaard om de pensioenen later mee te kunnen betalen. Een voorbeeld is het ABP - een pensioenfonds voor overheids- en onderwijspersoneel. Tezamen bezitten de Nederlandse bedrijfs(tak)pensioenfondsen honderden miljarden euro's aan vermogen.

Een aanzienlijk bedrag dus. Maar de pensioenverwachtingen van de huidige en de toekomstige gepensioneerden liggen hier nog substantieel boven. Tussen wat beschikbaar is en wat verwacht wordt, bevindt zich een diepe kloof.

Schatting van de 'eerlijke dekkingsgraad'
Want wat is het geval? Met de wat misleidende term 'dekkingsgraad' geven pensioenfondsen de verhouding weer tussen hun bezittingen en de nominale verplichtingen. Bij nominale verplichtingen gaat het om pensioenen waarbij NIET (!) voor inflatie gecorrigeerd wordt. Bij een dekkingsgraad van 100 procent kan precies aan de nominale verplichtingen voldaan worden. Een dekkingsgraad van 140 tot 150 procent zou echter nodig zijn om ook voor inflatie te kunnen compenseren. En dat is toch eigenlijk wat de meesten op z'n minst van hun pensioen verwachten.

Voor wie pas in de verre toekomst pensioen hoopt te ontvangen - jongeren dus - zijn de gevolgen hiervan groot. Een gemiddelde inflatie van 3 procent over 20 jaar impliceert bijna een halvering van de koopkracht. Bij een nog langere periode - of een hogere inflatie - blijft van de koopkracht van een nominaal pensioen zo goed als niks over. Een niet-geïndexeerd pensioen heet dan ook wel een slecht pensioen.

Bij een nominale dekkingsgraad van 100 procent ligt de 'eerlijke dekkingsgraad' (waarbij ook voor inflatie gecompenseerd kan worden) rond de 70 procent (100/150). Met andere woorden: om in de toekomst ook voor inflatie te kunnen compenseren zou men de pensioenaanspraken - de huidige en de toekomstige - eigenlijk met circa 30 procent moeten korten.

Actuele situatie
De actuele situatie is nog wat slechter dan we hierboven hebben geschetst. Veel van de pensioenfondsen zitten namelijk niet op een (nominale) dekkingsgraad van 100 procent, maar daaronder. Er is dus een tekort, terwijl er nog wordt uitbetaald alsof er geen tekort is. Dit leidt ertoe dat het tekort verder oploopt. Eerst vrij langzaam, maar vervolgens in steeds sneller tempo.

Stelt u zich voor: een pensioenfonds heeft acht euro aan bezittingen. En tien deelnemers. Gevoel van rechtvaardigheid zegt dat iedere deelnemer, ceteris paribus, recht heeft op 80 eurocent. Dit is echter niet wat de pensioenfondsen doen. Zij vragen hun tien leden namelijk op een rijtje te gaan staan, gerangschikt op leeftijd. Om vervolgens te beginnen met het uitkeren van munten van één euro. Dat dan straks bij nummer 9 en 10 (de jongeren dus) de munten op zijn, hebben veel jongeren nog niet door.

Maar deze jongeren worden wel verplicht gesteld om aan het pensioenfonds deel te nemen en daarvoor hun hele leven te betalen. Bij ongewijzigd beleid én een blijvend lage rentestand is de kans groot dat hun pensioenpot zo goed als leeg is wanneer zij zelf met pensioen dachten te gaan. Overigens moeten ook nummer 8 en 7 in de rij oppassen: want wanneer in geval van onderdekking niet gekort wordt (over indexatie hebben we het dan nog niet eens) dan is ook hun pensioen straks verdwenen.

Wordt bij een (nominale) dekkingsgraad van minder dan 100 procent niet gekort, dan wordt als het ware het pensioen van de laatsten in de rij (de jongeren) overgeheveld naar de huidige gepensioneerden. Geheel verwonderlijk is die keuze trouwens niet. Het zijn namelijk de vakbonden - met hun vergrijsde achterban - die bij de pensioenfondsen de dienst uitmaken. En de jongeren? Kennelijk ontgaat het hen volkomen dat er een grote pensioenroof gaande is... [Z24]

0 reacties :

Een reactie plaatsen